Interactievaardigheden: tips om nog beter te communiceren met je kind
Interactievaardigheden: tips om nog beter te communiceren met je kind
Interactievaardigheden helpen je om op een gevoelige, aanmoedigende en duidelijke manier om te gaan met kinderen. Deze vaardigheden gebruiken onze pedagogisch professionals om kinderen goed te begeleiden.
Ook jij maakt tijdens het communiceren met je kind dagelijks gebruik van deze vaardigheden. In deze blog leggen we uit welke zes vaardigheden dit zijn en hoe je deze bewust inzet.
Natuurlijk kan het gedrag van je kind af en toe nog steeds uitdagend zijn. De interactievaardigheden bieden hierbij hulp. Naast de basistips uit de vorige blog, delen we nu tips voor als je nog wat extra ondersteuning kan gebruiken.
Samenwerken is cruciaal
Bij alle tips is het belangrijk om consequent te zijn. Dit geldt niet alleen voor jou als ouder. Bespreek dit ook met anderen die regelmatig voor jouw kind zorgen. Denk aan onze pedagogisch professionals, maar ook bijvoorbeeld opa en oma die een vaste oppasdag hebben. Zorg ervoor dat iedereen op een lijn zit en dezelfde aanpak gebruikt. Op die manier leert je kind het snelste welk gedrag wel of niet gewenst is.
Verandering heeft altijd tijd en gewenning nodig, dus geef niet te snel op als je niet meteen verbetering ziet!
Sensitieve responsiviteit
Luister naar je kind en wees nieuwsgierig naar zijn belevingswereld. Wat houdt hem bezig, zit hij ergens mee? Neem de tijd voor echte gesprekjes met je kind.
Geef je kind jouw volle aandacht tijdens verzorgingsmomenten. Maak er een waardevol moment van voor jullie samen en geen een klusje dat geklaard moet worden. De kans is groot dat je kind tijdens dit moment ‘oplaadt’ en zich daarna beter even zelfstandig kan vermaken.
Sensitieve responsiviteit betekent niet dat je kind altijd krijgt wat hij wil. Laat wel zien dat je zijn gevoelens (h)erkent.
Respect voor autonomie
Richt de (speel)ruimte zo in dat je kind zelf materialen kan pakken en actief aan de slag kan. Dit geeft je kind meer controle over zijn omgeving en activiteiten.
Ondersteun je kind bij activiteiten die hij nog niet zelf kan. Let wel op: doe het niet voor hem. Laat hem dus zoveel mogelijk zelf doen en oefenen. Hierdoor groeit zijn zelfvertrouwen.
Laat je kind meedenken over hoe en wanneer jullie dingen doen. Zo voorkom je dat hij geheel afhankelijk is van wat een volwassene wil doen.
Sta open voor een discussie met of een weerwoord van je kind. Als je je kind een vraag stelt, kan hij ook een antwoord geven dat je niet verwacht. Respecteer dat antwoord. Is er geen ruimte voor discussie of weerwoord? Stel dan geen vraag, maar geef je kind een opdracht.
Structureren en leidinggeven
Gebruik duidelijke, vaste en herkenbare stappen bij taken, activiteiten en overgangssituaties. Zo weet je kind wat er gaat gebeuren. Bespreek deze ook met je kind: “We gaan eerst een broodje eten, en daarna gaan we…..”.
Kom je beloftes na, oftewel doe wat je zegt. Als dit onverwachts een keer niet lukt, leg dan duidelijk uit aan je kind waarom het nu anders gaat dan normaal. Maar probeer dit zoveel mogelijk te voorkomen. Is iets nog niet helemaal zeker? Dan kun je je kind dat beter niet beloven, om zo teleurstellingen te voorkomen. Voorkom dus de “Misschien gaan we…”.
Grijp op tijd in bij ongewenst gedrag. Op deze manier weet je kind wat niet mag en loopt de situatie niet uit de hand. Als je een waarschuwing geeft, pak dan daarin door en wees consequent. De “Nog 1 keer en dan…” moet dus ook echt een vervolg krijgen als je kind het nog een keer doet. Als je dit niet doet, neemt je kind zulke opmerkingen niet meer serieus stopt het ongewenste gedrag niet.
Praten en uitleggen
Moedig je kind aan om zijn gedachten, ideeën en gevoelens te verwoorden. Hierdoor begrijp jij beter waarom hij bepaalde dingen doet.
Leg dingen uit aan je kind. Alleen “Nee, niet doen” maakt voor je kind niet duidelijk waarom iets niet kan of mag. Geef, als het kan, je kind een alternatief voor het gedrag dat je niet wilt zien. Bijvoorbeeld “Als je graag wilt springen, dan mag dat zo buiten”.
Geef je kind de kans om mee te praten tijdens gesprekken en zelf iets te zeggen.
Ontwikkeling stimuleren
Een kind dat niet gestimuleerd/uitgedaagd wordt, gaat zich snel vervelen. En juist die verveling zorgt voor ongewenst gedrag. Bied je kind daarom nieuwe activiteiten en materialen aan die passen bij zijn behoeften en interesses.
Benadruk alle dingen die je kind met deze nieuwe materialen en tijdens deze activiteiten kan doen.
Begeleiden van onderlinge interacties
Jonge kinderen kunnen zich nog niet inleven in de gevoelens van anderen. Hierin moet jij jouw kind begeleiden. Pakt jouw kind bijvoorbeeld iets van een ander af en moet het andere kind daarvan huilen? Benoem dat je begrijpt dat hij daar ook mee wil spelen, maar dat het afpakken niet leuk is voor het andere kind. Geef bij jonge kinderen de oplossing “Jij mag er straks mee spelen” of “Zullen we kijken of we er nog eentje hebben waar jij mee kan spelen?”. Hoe ouder het kind wordt, hoe meer je hem mee kan laten denken over een oplossing.
Benoem en beloon positieve interacties tussen jouw kind en anderen en stimuleer vriendschappen. Dit doe je o.a. door complimentjes te geven en te vertellen hoe leuk ‘samen’ is.
Houd tijdens deze interacties wat afstand van je kind. Ben je binnen 1 à 2 meter, dan is je kind eerder geneigd de interactie aan te gaan met jou dan met andere kinderen.